Pedofilie - Mini-colleges
 

[ < Vorige ]   [ Start ]   [ Omhoog ]   [ Volgende >  ]

Mini-college # 12, december 2018:

Wetenschap en moraal - De tegenargumenten beantwoord

Inleiding

In dit college kijken we naar de argumenten die zijn ingebracht tegen de metaanalysis van Rind c.s. (1998). Voor een eerlijk wetenschappelijk debat dient men de argumenten te stellen in de vorm van een vraag, niet in de vorm van een stelling. De meeste opponenten spraken in stellingen, veelal met een sterke emotionele lading en heel wat retoriek. In dit artikel vertaal ik deze tegenwerpingen in vragen, anno 2002, en voorzie ik deze van een antwoord. Daarna geef ik een latere nabeschouwing anno 2018.

Deel 1 van dit college is een ingekorte versie van
< https://www.human-being.nl/Bibliotheek/wetenschap_en_moraal.htm >,
Dat op zijn beurt een vertaling is van < https://www.ipce.info/ipceweb/Library/science_and_morality.htm >,
Op zijn beurt de neerslag van een ordner vol discussie in Ipce.

Deel 2 in een ingekorte, maar ook iets uitgebreide versie van
< https://www.human-being.nl/Bibliotheek/vergeet_de_vier_procent.ht >.

Deel 1: De vragen anno 2002

1. Methodologische vragen

Vraag 1: Kan een onderzoek geldig zijn als er geen hypothese aan ten grondslag ligt?

Dr Paul Fink, oud-voorzitter van de American Pschychiatric Association, zei over de meta-analyse:

"Ik kan zelfs het uitgangspunt niet begrijpen. Wetenschappelijk onderzoek begint met het observeren van de werkelijkheid, waarna hypothesen worden geformuleerd. De hypothese die kennelijk ten grondslag ligt aan dit onderzoek - dat seksueel misbruik van kinderen niet zo schadelijk is als wij denken - kan niet gerechtvaardigd worden door de literatuur."

Antwoord 1: Een onderzoek kan geldig zijn zonder hypothese.

Onderzoek dat een hypothese test, is één soort onderzoek; er zijn ook andere soorten. Een onderzoek kan ook starten met een vraag, zoals bijvoorbeeld: "Richt seksueel misbruik van kinderen schade aan en zo ja, wat leren de verzamelde gegevens ons tot dusver?" Er is ook iets als exploratief of verkennend onderzoek en er is ook handelingsonderzoek, dat zoekt naar praktische manieren van handelen. Ook is er meta-analyse. Je kunt alleen een meta-analyse verrichten als er voldoende onderzoek is gedaan naar de zaak in kwestie.

Meta-analyse combineert resultaten van onderzoeken en onderzoekt wat ze tezamen te zeggen hebben. Meta-analyse kent minder methodologische storingen (biases) omdat het onafhankelijk is van de uitgangspunten en de verhoopte resultaten van de oorspronkelijke onderzoekers. Een meta-analyse observeert terdege de objectieve werkelijkheid omdat men zich uitsluitend baseert op onderzoek dat dat ook doet. De statistische technieken werken onafhankelijk van de onderzoeker en het onderwerp van studie, waardoor de kans op methodologische fouten gering is.

Vraag 2: Kan een geldig onderzoek uitgaan van zelfrapportage?

Tegenstanders hebben opgeworpen dat de meta-analyse niet steunt op feiten, maar vanwege het gebruik van zelfrapportage alleen op wat de studenten hebben gezegd - niet op wat er echt is gebeurd.

Antwoord 2: Alle oorspronkelijke onderzoeken maakten gebruik van zelfrapportage.

Zelfrapportage is veelvuldig gebruikt en overal geaccepteerd in de sociale wetenschappen. Deze methode is gebruikt in alle onderzoeken die de meta-analyse onderzocht. Geen van de opponenten heeft ooit enig bezwaar uitgesproken tegen zelfrapportage, zolang deze maar spraken van een hoop problemen en schade als gevolg van de ervaring van seksueel kindermisbruik. Zij spraken niet over de rapporten die positieve ervaringen vermeldden.

In de meta-analyse echter zijn alle rapporten opgenomen, dus ook die positieve. Omdat de opponenten niet zo gesteld zijn op die positieve rapporten, maken ze nu ineens bezwaar tegen zelfrapportage als methode. Dezelfde opponenten die altijd geloofden in de negatieve zelfrapportages, negeren nu de stem van de studenten die neutrale of positieve gevolgen meldden.

Vraag 3: Is een steekproef van studenten representatief voor de bevolking als geheel?

De auteurs pretenderen te spreken over de bevolking in het algemeen, maar zij hebben alleen zelfrapportages van studenten onderzocht - slechts een deel van de bevolking dus.

Antwoord 3: Onderzoek heeft uitgewezen dat studenten-steekproeven representatief zijn.

De opponenten hebben altijd geloofd dat de conclusies van onderzoeken met steekproeven uit kliniek of gevangenis representatief waren voor de bevolking als geheel, zolang namelijk de conclusies maar spraken van veel schade aangericht door SMK (Seksueel Misbruik van Kinderen). Het is toch duidelijk dat die steekproeven niet representatief kunnen zijn voor de bevolking als geheel.

De bevindingen van de studenten-steekproef in de meta-analyse kwamen overeen met die vanuit een steekproef uit de gehele bevolking (Rind & Tromovitch 1997). Je kunt dus op empirische gronden beweren dat studenten-steekproeven representatief zijn.

Vraag 4: Waren de studenten niet te jong om de negatieve gevolgen te merken?

Studenten, zo zeiden de opponenten, zijn te jong om de negatieve gevolgen ten volle te ondervinden. Hun jeugd geeft hun er weerstand tegen; zij zullen de negatieve gevolgen later wel gaan ondervinden als ze getrouwd zijn.

Antwoord 4: Onderzoeksgegevens tonen aan dat dit niet waar is.

Opponenten die dit argument gebruiken hebben de meta-analyse kennelijk niet gelezen. De auteurs zeggen op blz. 27 van de meta-analyse:

"Een mogelijke tekortkoming van het werken met studenten is dat zij te jong zijn om de symptomen te ervaren, of dat zij beter in staat zijn om te gaan met de stress van SMK dan mensen uit andere populaties (Jumper 1995). Echter, jongere en oudere volwassenen verschilden niet in SMK reacties volgens de meta-analyse van Neuman et al. (1966).
Voorts waren de gemiddelde effecten qua omvang van de studenten-steekproeven van Jumper gelijk aan die van de algemene steekproeven van Rind & Tromovitch (1997), alsook aan die van de niet-klinische steekproeven van Neuman et al. (1996) en de algemene steekproeven van Jumper, 1995, na enkele correcties.”

Vraag 5: Is SMK niet zo breed gedefinieerd dat er een oververtegenwoordiging van de mildere vormen in zit, bijvoorbeeld van vormen zonder lijfelijk contact?

Zo schreef de FRC (Family Research Counsel) bijvoorbeeld:

"[...] de auteurs namen in hun analyse gegevens op over de mildere vormen van contacten, zonder of met weinig lijfelijk contact. [...] Men kan dan minder blijvende schade verwachten."

Antwoord 5: Niet de auteurs gebruikten een zo brede definitie, dat deden de oorspronkelijke onderzoekers.

Rind c.s. hebben geen gegevens toegevoegd; zij stellen helder dat zij elk Engelstalig onderzoek hebben gebruikt dat maar bekend was. Als je alles opneemt, kun je er per definitie niets meer van het een of het ander aan toevoegen. Men mag hier wel opwerpen dat de gebruikelijke definities zo breed zijn dat ze geen onderscheid meer maken tussen graden van misbruik.

Het Rind team had geen andere keus dan het opnemen van alle onderzoeksrapporten in de meta-analyse, hoezeer de definities van SMK ook verschilden. Zo niet, dan waren ze beschuldigd van selectiviteit. Nu worden ze beschuldigd van oververtegenwoordiging.

Laten we eens kijken naar pagina 30 en tabel 1 van de meta-analyse. We kijken dan eens naar de verschillen tussen de onderzoeken die alleen contact-seks onderzochten en de onderzoeken die ook contactloze ervaringen opnamen. Merk op dat deze categorieën elkaar overlappen.
Zestien van de 78 steekproeven betroffen uitsluitend contact-seks; de overige 58 betroffen combinaties van beide typen ervaringen. Als je nu de gemiddelde effectomvang van beide groepen uitrekent, kom je op .135 voor contact-seks en op .100 voor de combinatiegroep: zeker geen dramatisch groot verschil.

Vraag 6: Overheersten niet enkele oudere onderzoeken met milde resultaten de gehele meta-analyse?

De FRC zei in een persbericht van 20 mei 1999 wat Laura Schlessinger ook al had gezegd, zich baserend op een brief van Dr Fink:

"Van de 59 in de meta-analyse opgenomen onderzoeken, komt 60% van de gegevens van een enkel onderzoek van 40 jaar geleden."

Antwoord 6: Het onderzoek van Landis, waar hier op gedoeld wordt, is niet gebruikt in de primaire analyse.
De auteurs hebben zelf al opgemerkt dat zij het onderzoek van Landis in het geheel niet hebben gebruikt bij hun analyse van langdurige symptomen met behulp van correlatieberekening van de effect-omvang. Landis geeft namelijk geen correlatie coëfficiënten. De auteurs voegden hieraan toe dat, als het Landis onderzoek geheel was weggelaten, dit de resultaten niet significant zou beïnvloeden.

De 1.496 gevallen uit het onderzoek van Landis vormen 4% van het totaal van 35.703 gevallen, dus geen 60%. Alleen in tabel 8, de zelf-gerapporteerde gevolgen op pagina 37, vormen de 746 gevallen van Landis 62% van het totaal van 1191. In tabel 7 vormen Landis' 676 gevallen 33% van het geheel van 2017. Wie dan beweert dat de gevallen van Landis 60% uitmaken van de gehele meta-analyse, maakt een pars pro toto fout: hij rekent een deel als het geheel.
Van de 59 onderzoeken dateren er slechts drie van voor 1984 (Landis 1956, Finkelhor 1979 en een uit 1981). Slechts zeven dateren er van voor 1987. 52 Onderzoeken zijn dus verricht na 1987.

Vraag 7: Is het gebruiken van zoveel niet gepubliceerd onderzoek geen methodologische fout?

Zo zegt de FRC: "23 van de 'bruikbare onderzoeken' zijn nooit gepubliceerd."

Antwoord 7: Nee, een niet gepubliceerd onderzoek is niet slecht omdat het niet is gepubliceerd. Ruim de meerderheid van de niet gepubliceerde onderzoeksverslagen waren proefschriften. Het opnemen daarvan in een meta-analyse is een standaard procedure in de onderzoekspraktijk. Twee andere waren doctoraalscripties.
We mogen er in dit verband op wijzen dat het Rind team heeft ontdekt dat er een onterechte verschuiving van resultaten optreedt in de richting van de gepubliceerde verslagen. Men publiceert namelijk eerder als men schade concludeert; onderzoek dat geen of weinig schade concludeert, is veel moeilijker te publiceren.
In hun toespraak van 9 november 1999 zeggen de auteurs:

"De niet gepubliceerde gegevens die we hebben gebruikt kwamen allemaal van proefschriften. Deze worden, zoals academici kunnen weten, doorgaans grondig bekeken door een groep gepromoveerde wetenschappers, vanaf het ontwerp, via het verzamelen van de gegevens, tot en met het verslag ervan. … De wel- en de niet gepubliceerde gegevens vertellen hetzelfde verhaal."

Vraag 8: Moet de meta-analyse niet nagezien worden door deskundigen in de statistiek?

De meeste van de opponenten zeiden dat de meta-analyse fouten bevatte, vol methodologische missers (biases) zat of gewoon regelrecht de prullenmand in kon.

Antwoord 8: Nee, want dit is al gebeurd.

Dr Ray Fowler, voorman van de APA (American Psychological Association) schreef op 25 mei 1999:

"Omdat het artikel zoveel aandacht trok, hebben wij het proces van acceptatie en publicatie nauwgezet nagegaan, evenals de juistheid van de methode van onderzoeken en analyseren. Dit onderzoek voldeed aan de hoge eisen die de APA stelt aan intervisie door collega's. Omdat het zoveel controverse opleverde, is het nog eens extra nagezien door een deskundige in de statistiek. Deze bevestigde dat het voldoet aan de huidige normen. Ook verklaarde hij dat de onderzoeksmethode, die overal gebruikt wordt bij de NIH (National Institutes of Health) om richtlijnen te ontwikkelen, goed is.
Desondanks heeft de APA nog eens aan de AAAS (American Association for the Advancement of Science) gevraagd om er nog eens onafhankelijk naar te kijken. Dit comité verklaarde:
"Wij zien geen reden voor een herhaling van de intervisie door collega's die de APA al heeft laten verrichten voor ze besloot het te publiceren." En:
"Wij zien geen duidelijk bewijs van onjuiste toepassing van de onderzoeksmethode of andere laakbare daden door de schrijvers ervan."

2. Het centrale begrip 'instemming' ('consent')

Vraag 9: Is het hele onderzoek niet fout omdat het gebaseerd is op een verkeerd uitgangspunt, namelijk het bestaan de mogelijkheid tot instemming (van de jeugdige)?

Antwoord 9a: Nee, het centrale begrip is 'schade' en de centrale vraag is: 'in welke mate?'

De opvatting dat kinderen in kunnen stemmen met seks met volwassenen, is geen uitgangspunt van dit onderzoek. Het bestaan ervan is resultaat van dit onderzoek.

"Ons onderzoek gaat ervan uit dat er behoefte was aan onderzoek van onderzoeken naar de gevolgen van en de reacties op SMK in een studentenpopulatie" (de auteurs in hun stellingname van 12 mei 1999).

Als de onderzochte onderzoeken zelf een onderscheid maakten tussen gewenste en ongewenste seksuele ervaringen, dan maakt een meta-analyse hetzelfde onderscheid. Verschillende onderzoeken deden dit, dus deed de meta-analyse het. Menig auteur heeft, vóór het Rind-onderzoek geaccepteerd dat de respondenten vertelden dat in een zeker percentage van de gevallen de ervaringen gewenst waren. Een wetenschapper dient dit als feit te aanvaarden. Het feit is dan: 'de respondenten vertelden mij dat ...'
Of, zoals de auteurs het zeggen:

"In de onderzoeken naar de gevolgen van SMK die wij onderzochten betekende 'instemming' dat het slachtoffer de eigen deelname aan het gebeuren zelf zo beleefd heeft - uiteenlopend van gedwongen zijn tot zelf gewild hebben - omdat wij weten dat die beleving invloed heeft op de reacties op de ervaring.”

Dus: 'instemming' is niet een uitgangspunt noch een centraal begrip, maar een van de factoren die invloed konden hebben op de beleving van de respondenten van de SMK gebeurtenis. De meta-analyse laat wel zien dat die zelfbeleving van instemming in de realiteit een enorm verschil uitmaakt voor kinderen.
De FRC stelt:

"Wat de beleving van de kinderen ook geweest moge zijn, wij weten dat ze niet in staat zijn in te stemmen ...".

Dit is een heldere stellingname: wat de kinderen zeggen en beleven is niet van belang omdat de FRC het beter weet. Als de kinderen zeggen dat zij schade hebben ondervonden, dan moeten zij geloofd worden. NAMBLA heeft dit als feit te accepteren. Als zij zeggen van niet, moeten ze ook geloofd worden. FRC heeft dit als feit te accepteren.

Antwoord 9b: 'Instemming' is een in wetenschappelijk opzicht geldig en bruikbaar begrip.

In de woorden van de auteurs in hun stuk van 6 november 1999:

"In Webster's 3rd New International Dictionary is de eerste definitie van instemming (consent): "toestemming in of goedvinden van, in het bijzonder, iets dat gedaan of voorgesteld wordt door een ander." Je kunt dit de definitie noemen van 'instemming zonder meer' (simple consent), iets waartoe kinderen en jongeren zeker in staat zijn.
De tweede definitie is: "het wel-wetend, wel-overwogen en vrijwillig eens zijn met een daad of een doel waarvoor vrijwillige lichamelijke en geestelijke inzet gevergd wordt." Deze tweede definitie omschrijft 'weloverwogen instemming' (informed consent); dit is precies de ethische en sociale definitie die ook de wet laat meetellen.
Vanuit een wetenschappelijk oogpunt is vooral de 'instemming zonder meer' van belang omdat deze factor verschil laat zien in de reacties en de afloop. Als het begrip 'instemming zonder meer' een verschil laat zien in uitkomsten, dan is het in wetenschappelijk opzicht een geldig begrip voor onderzoek, ongeacht tegenwerpingen van ethische of morele aard." …
"Veel onderzoeken in onze meta-analyse maakten onderscheid tussen instemming en dwang. We hebben eenvoudigweg de relevante gegevens bijeengelegd en de waarde onderzocht van 'instemming' als voorspellende factor t.a.v. het verdere verloop. Er werd een waarde gevonden: het maakte inderdaad onderscheid, dus was het in wetenschappelijk opzicht bruikbaar als begrip. …
Deze analyse toonde duidelijk aan dat het nuttig is om onderscheid te maken tussen gewenste en ongewenste ervaringen, wil men tenminste iets kunnen voorspellen.”

Antwoord 9c: De mogelijkheid tot instemming van jongeren is algemeen aanvaard.

In hun stuk van 6 november 1999 schrijven de auteurs op pagina 14:

"Dit moge duidelijk zijn: als het Congres, de Leadership Council, de FRC of zelfs de APA het heeft over "kinderen" in verband met seksuele relaties met volwassenen, dan gebruiken ze geen biologische omschrijving van 'kind', maar verwijzen ze naar minderjarigen onder de leeftijd die de wet stelt - doorgaans van 16 tot 18 jaar in de VS. Dus hebben we het niet alleen over prepubers, maar ook over [pubers en] adolescenten.
Het is dus interessant om eens te bezien wat de APA te zeggen heeft over weloverwogen instemming van jongeren in andere verbanden. In een brief van oktober 1989 aan de Hoge Raad betoogde de APA, zich baserend op de ontwikkelings-psychologische literatuur, dat zwangere meisjes geen toestemming van hun ouders nodig hebben voor abortus, omdat ze in staat zijn hierin zelf weloverwogen te beslissen.” …
In het licht van deze conclusies, gebaseerd op de literatuur, lijkt het ons toch wel erg inconsistent om zelfs 'instemming zonder meer' te verwerpen als een onderzoeksvariabele …
De gegevens laten het nut zien van 'instemming zonder meer' als onderzoeksvariabele. 'Instemming (zonder meer)’ is wetenschappelijk gezien een geldig begrip om de gevolgen van SMK ervaringen te kunnen voorspellen en begrijpen."

3. Het debat over de conclusies

Vraag 10: Hoe komen de auteurs tot zulke andere conclusies dan hun collega's?

Meerdere opponenten hebben gezegd dat de conclusies van Rind c.s. te zeer verschillen van die van de overige vakliteratuur om geloofwaardig te zijn. 'One-Voice/ACAA', een vereniging van volwassen die seksueel misbruik meemaakten en overleefden, schreef:

"Gegeven het feit dat honderden onderzoeken de ernstige en langdurige gevolgen van SMK onthullen, is het onverantwoord om te willen beweren dat seksueel misbruik slechts zelden schade tot gevolg heeft."

Antwoord 10: Er waren geen collega's

De gegevens van de studentenpopulatie zijn nooit eerder onderzocht. Daarom is het niet correct om te concluderen - hetgeen een deel van de critici impliciet stelt - dat Rind c.s. tot andere conclusies komen dan andere onderzoekers; er heeft simpelweg nooit enige onderzoeker ooit gedaan wat Rind c.s. hebben gedaan. Tot nu toe is er niet systematisch gepoogd de verschillende onderzoeken in de studentenpopulatie op een zinvolle manier met elkaar te vergelijken. Daarom kun je niet beweren dat Rind c.s. collega's hebben die tot andere conclusies komen. Zij hebben feitelijk geen collega's (peers), zij zijn pioniers.
Die One-Voice/ACAA spreekt over "honderden onderzoeken" zonder er ook maar één te noemen: welke onderzoeken? Het Rind team heeft alle onderzoeken onderzocht die het maar kon vinden.

Vraag 11: Is het wel correct om een misdrijf te beschrijven in neutrale bewoordingen?

De auteurs stellen voor dat onderzoekers meer neutrale bewoordingen gebruiken voor 'seksueel misbruik van kinderen; omdat 'misbruik' schade impliceert en er niet altijd schade is. Door neutrale termen te gebruiken, krijgt de werkelijke schade de aandacht die het verdient. De opponenten daarentegen brengen naar voren dat het gebruiken van neutrale termen immorele daden aanmoedigt.

Antwoord 11: Het gebruiken van neutrale termen is correct bij het verrichten van onderzoek.

In hun stuk van 12 mei 1999 zeggen de auteurs:

"Het voorstel betrof alleen definities in wetenschappelijk onderzoek, niet die in sociale of wettelijke context. … Niet alle 'misbruik' is even schadelijk en wie dat wel zo stelt neemt het echt serieuze misbruik niet serieus."
"Wij stellen in ons artikel dat het definiëren van SMK met behulp van morele en wettelijke criteria correct is voor het maken van wetten, maar niet geschikt is voor een wetenschappelijk onderzoek [naar de feiten]. De term 'seks tussen volwassene en kind' (adult-child sex) wordt al vaak gebruikt in de literatuur over seksueel misbruik en wordt dan om en om gebruikt met de term 'seksueel misbruik van kinderen' (child sexual abuse).
Ons artikel stelt alleen voor om deze termen meer precies te gebruiken in psychologisch onderzoek - wij hebben het niet over discussie in de media of over wetgeving."

Vraag 12: Zijn de conclusies geen slecht nieuws?

Opponenten suggereren dat, als NAMBLA uitroept "Goed nieuws!", het eigenlijk slecht nieuws is omdat pedofielen zich vrij zouden kunnen gaan voelen om 'onze kinderen aan te gaan randen'.

Antwoord 12: Als er minder schade is dan werd verondersteld, dan is het goed nieuws.

De conclusie dat er minder schade is dan altijd is verondersteld en dat kinderen meer vermogen tot herstel in zich hebben dan was gedacht, is een bericht dat hoop geeft. Het Rind-c.s. onderzoek is niet meer dan een zoveelste bevestiging dat kinderen wel ergens tegen bestand zijn. Veel onderzoek toont aan dat veel kinderen in staat zijn om akelige ervaringen in hun kindertijd te verdragen en gewoon gezonde levens kunnen leiden zonder blijvende schade. De mensen aanvaarden zo'n conclusie zolang het gaat om de dood van ouders, broertjes of zusjes, verkeersongelukken of brand, oorlogen of natuurrampen. Dezelfde mensen lijken hetzelfde resultaat in dit geval niet te willen aanvaarden.

Als er schade is - en er is schade in sommige gevallen - dan is het beter om te weten wat nu echt schadelijk is. Dit zijn de gevallen waarin het kind lijdt aan slechte gezinsomstandigheden; deze hebben veel meer invloed dan seksuele ervaringen. Nu, dit is slecht nieuws voor organisaties die de 'gezinswaarden en normen' willen behouden en beschermen.

De auteurs schrijven in hun stuk van 12 mei 1999:

"In feite hebben onderzoekers ethisch gezien de plicht het te rapporteren als ze vinden dat tegenslag in de kindertijd psychologisch niet zo schadelijk zijn als gedacht is, of soms helemaal niet schadelijk zijn. In het geval van SMK heeft deze bevinding enkele positieve implicaties: de slachtoffers hoeven niet te geloven dat ze voorgoed verloren zijn of dat ze onvermijdelijk zullen lijden aan persoonlijkheids- of andere stoornissen; hulpverleners hebben goede gronden om hen te bemoedigen en hoop te geven. Het negeren van deze gegevens kan juist schade toebrengen aan degenen die zulke ervaringen gehad hebben door ze op te zadelen met het gevoel beschadigd te zijn. "

Overigens mag naar mijn mening die uitroep "Goed nieuws!" van NAMBLA niet gezien worden als het groene licht voor seks met kinderen; er is minder schade dan er gedacht was, maar intussen is er in bepaalde gevallen nog steeds wel schade.

4. Over de auteurs

Vraag 13: Zijn de auteurs niet misleid door een verborgen agenda om pedofilie mogelijk te maken?

Sinds Laura Schlessinger dit gezegd heeft, hebben veel opponenten haar gevolgd in haar aanval op de auteurs zelf. De brengers van de boodschap, het 'slechte nieuws', vreesden voor hun hun naam, hun baan en hun leven. De auteurs zouden de hele wereld zijn rondgereisd om pedofilie te promoten en zouden contact hebben gehad met Nederlandse voorstanders van pedofilie.

Antwoord 13: De auteurs hebben het woord 'pedofilie' in het geheel niet gebruikt; zij onderzochten onderzoek dat door anderen gedaan is naar de gevolgen van SMK.

De auteurs zeggen in hun stuk van 12 mei 1999:

"[...] critici hebben geïnsinueerd dat [onze] conclusies seksueel misbruik zouden bevorderen. In feite stellen we in ons artikel duidelijk dat ons onderzoek van de onderzoeksliteratuur seksueel misbruik geenszins mag bevorderen en dat het niets verandert aan de morele of wettelijke kijk op misbruik. Wij schreven dat 'gebrek aan schadelijkheid niet een gebrek aan afkeurenswaardigheid impliceert', dat de morele en wettelijke regels van de maatschappij gebaseerd zouden moeten zijn op de bevindingen inzake de psychische schadelijkheid (maar dat ze dit niet vaak zijn), en dat 'de bevindingen van dit onderzoek niet inhouden dat morele en wettelijke definities inzake, of visies op gedrag dat nu SMK heet, opgegeven of zelfs maar veranderd hoeven te worden.' (p 47)."

Als de conclusies u niet aanstaan, valt u dan niet de schrijvers aan. Gij zult geen 'citaten' geven die nergens in het stuk te vinden zijn. Wil men ethisch en moreel correct zijn, men volge het gebod "Gij zult geen valse getuigenis tegen uw naaste afleggen" Professionele eerlijkheid is niet alleen een recht van het Rind-c.s. team, maar een morele plicht voor alle beroepsbeoefenaars.

5. Wetenschap en moraal

Vraag 14: Wat zou de rol moeten zijn van de wetenschap, de politiek en de media in morele kwesties?

Op 12 juli 1999 veroordeelde het Congres van de VS de meta-analyse in een stemming van 355 voor en nul tegen. Om precies te zijn: het

"veroordeelt en wijst af alle suggesties in het artikel A Meta-Analytic Examination [Etc..] dat erop wijst dat seksuele relaties tussen volwassen en 'instemmende' kinderen minder schadelijk zijn dan gedacht werd en dat ze positief kunnen zijn voor 'instemmende' kinderen."

Wat gebeurt hier nu? Politici veroordelen en keuren af wat in een wetenschappelijk onderzoek geconcludeerd is, en wel op morele gronden - na een campagne van rechter vleugel in de media. Als iedereen zich nu eens moreel correct zou gedragen, wat zou dan ieders rol zijn en welke grenzen zijn er voor ieder in acht te nemen?

Antwoord 14: Wetenschap zou

  • de feiten moeten aangeven en heeft het recht en de plicht dit te doen;
  • de media dienen het publiek correct te informeren;
  • politici dienen het proces van besluitvorming in morele kwesties op eerlijke wijze te leiden.

Deze discussie, die over morele kwesties, is een ander soort discussie; deze verschilt van de discussie over de feiten in elk aspect van de discours. Het is een ander soort discours, zoals Habermas heeft aangetoond. Het Congres van de VS heeft beide typen discoursen met elkaar verwisseld.

Als politici met al hun macht - en naar vermoed wordt zonder het onderzoek gelezen en begrepen te hebben - besluiten de feiten, gevonden in nauwgezet wetenschappelijk onderzoek, te veroordelen en af te keuren, dan is dit het einde van de wetenschap, maar ook het einde van een correcte discussie over moraal.
Gezien het feit dat de media het artikel nauwelijks gelezen hebben en stuk voor stuk aan kwamen zetten met niet-bestaande 'citaten', is het publiek hier niet goed geïnformeerd. Het publiek kon dus ook niet weloverwogen discussiëren over de morele implicaties.

Iedereen heeft de conclusies van zorgvuldig wetenschappelijk onderzoek te aanvaarden, tot nieuw onderzoek tot andere conclusies komt. De FRC daarentegen schreef:

"Als de psychologie geen schade aantreft in iets dat moreel wordt afgekeurd, dan menen wij dat ze niet goed genoeg kijkt."

Dit is de kern van althans enigszins te respecteren kritiek op het Rind-c.s. team. Het valt althans de personen niet aan. Wat het echter wel aanvalt, is de grond onder de wetenschap zelf. Bedenk maar wat dit betekent: de sociale wetenschappers zouden teruggestuurd moeten worden naar hun studeerkamer, totdat de feiten die zij vinden overeenstemmen met de populaire vooroordelen.

Eens, heel lang geleden, was er een man, genaamd Galilei. Deze ontdekte wat feiten over de aarde en de zon. De Paus weigerde deze feiten te aanvaarden. Met al zijn macht - die van de Inquisitie en de brandstapel - veroordeelde hij deze wetenschapper. Pas eeuwen later, vele jaren na diens dood, heeft de Kerk de feiten aanvaard en Galilei de eer gegeven die hem toekwam.

Deel 2: Adders onder het gras – een latere nabeschouwing

Adder 1: de dark numbers

Bij onderzoek naar seksuele ervaringen van mensen, en zeker die in de kindertijd, is er altijd het probleem van de zogeheten dark numbers: de gevallen waarin mensen de informatie niet prijs geven. We mogen aannemen dat dit zowel bij de gewenste als bij de ongewenste contacten het geval is. Al die percentages suggereren dus precisie, maar veel weten we ook niet en kunnen we ook niet weten.

Inmiddels zijn we bijna twintig jaar verder. Nu lijkt het er op dat er nogal wat dark numbers in de ongewenste sector naar boven zijn gekomen. In de UK meldde één man dat hij zich als kind seksueel misbruikt voelde in zijn voetbalclub, waarna er ... vijfhonderd van zulke meldingen boven tafel kwamen. In Nederland gebeurt nu net zoiets; in de RK Kerk is het al eerder gebeurd. Bovendien is er intussen veel klinische ervaring opgebouwd vanuit de therapie voor mannen die zich in hun jeugd misbruikt hebben gevoeld.

Er kunnen dus meer gevallen van ongewenste contacten en latere schade zijn dan in 1998 bekend was. Ditzelfde geldt voor de andere dark numbers, die van de gewenste gevallen zonder schade.

Adder 2: schade kan twee gezichten hebben

  • Primaire schade komt voort uit de seksuele ervaring zelf;

In de hier besproken onderzoeken is dit onderscheid niet terug te vinden. In de klinische praktijk komt het wel naar voren. Wat daar blijkt - en ook uit de literatuur - is dat met name de geheimhouding voor kinderen erg belastend is en dat dit tot ver in de volwassenheid zo kan blijven. Mij zijn verhalen verteld die vele decennia zelfs geheim zijn gehouden. Is dit primaire schade? Secundaire schade, vanwege de verwachte problemen bij bekendwording? Het heeft van allebei iets, maar dat geheimhouding zeer belastend en dus schadelijk is, zoveel is wel zeker. Primair en/of secundair, schade blijft toch schade.

Adder 3: tijdelijke schade

Rind cs zijn vooral gericht op het zoeken naar blijvende schade. Deze blijkt dan mee te vallen. In het onderzoek van Baker & Duncan van 1985 vinden we echter ook "Destijds schade maar zonder blijvend effect". Deze categorie vinden we niet terug in de meta-analyse. Toch mogen we "tijdelijke schade" ook "schade" blijven noemen; schade is schade.

Adder 4: de beleving achteraf

We hebben het hier over mogelijke negatieve beleving achteraf en over mogelijke schade achteraf. Dit is iets dat niemand tevoren kan weten. Dit is de vierde adder onder het gras. Niemand kan weten hoe iets direct na de ervaring, en al helemaal niet tien of meer jaar later beleefd wordt. In die tien jaar zijn er allerlei invloeden werkzaam geweest die het mogelijk vage gevoel van 'klopt dit wel?' kunnen hebben versteend tot 'dit was fout'.

Adder 5: gewenst en ongewenst

Vrijwel alle onderzoeken over deze materie maken geen of vrijwel geen onderscheid tussen gewenste en ongewenste seksuele contacten in de kindertijd; beide typen contacten, toch cruciaal verschillend, worden op één hoop gegooid. Zelfs Rind c.s. blijven spreken van "Seksueel misbruik van kinderen" (SMK dan wel Child Sexual Abuse, CSA zonder aanvankelijk het cruciale onderscheid te maken tussen gewenst en ongewenst, schadelijk en niet schadelijk; dit doen ze pas in hun conclusies. We weten dan eigenlijk nog maar weinig.

Ook binnen deze begrippen wordt niet tot nauwelijks onderscheid gemaakt tussen enerzijds licht erotisch getint knuffelen en geslachtsgemeenschap – en alle vormen van contact daar tussenin. Weer weten we te weinig.

Het probleem ontstaat dan dat de literatuur en de media doorgaans uitgaan van de zwaarste vormen, slechts deze vermelden - en vervolgens de lichtere vormen als even schadelijk dan wel schandelijk noemen. Er verschijnen dan protocollen die de verzorgers, leerkrachten en opvoeders alle vormen van lichamelijk contact verbieden, tot op het absurde af, zoals een pleister plakken of insmeren tegen zonnebrand of zelfs troosten. Juist dit verbod lijkt mij nu juist schadelijk.

Adder 6: ambivalentie

Rind c.s. onderscheiden drie categorieën van de beleving achteraf: positief, neutraal, negatief. Hierbij mis ik: ambivalent: enerzijds positief, anderzijds negatief.

Adder 7: de maatschappelijke omslag

In college 09 is ‘de omslag’ beschreven die rond 1980 heeft plaatsgevonden. Een deel van de in de meta-analyse onderzochte onderzoeksverslagen vond plaats voor die omslag, een ander deel ervan erna. Inmiddels heeft ‘de omslag’ het pleit gewonnen: ‘seksueel contact in de kindertijd is altijd schadelijk’.
Deze opvatting is inmiddels tot ver in de samenleving genesteld, tot diep in de geestelijke gezondheidszorg toe. Als je dus nu aan studenten hierover vragen zou stellen, zullen er veel meer dan destijds antwoorden: ‘Ja, schade ondervonden, volgens mijn therapeut’. Een onderzoek nu, zeker na het jaar van #MeToo en alle naar boven gekomen misbuikverhalen in kerk, sport, leger en de culturele sector, zou dus meer negatieve beleving en meer schade registreren.

Beschouwing

Keren we nog even terug naar de oorspronkelijke vraagstelling van Rind cs: Deze was: het onderzoeken van het mogelijke waarheidsgehalte van vier algemeen aangehangen overtuigingen inzake de gevolgen van seksuele ervaringen in de kindertijd, namelijk:

1. het veroorzaakt schade;
2. deze schade komt op grote schaal voor;
3. deze schade is gewoonlijk intens en
4. is voor jongens even sterk, of even negatief, als voor meisjes.

We kunnen nu weten:

1. Dit kan, maar is niet altijd het geval.
2. Het blijkt minder erg te zijn dan gedacht.
3. De schade kan, indien aanwezig, variëren.
4. Jongens beleven de gebeurtenissen achteraf anders dan meisjes, namelijk minder negatief, meer neutraal of positief.

We kunnen er aan toevoegen:

5. De beleving kan ook ambivalent zijn: positief en negatief tegelijk.

Hoe dan ook, is de stelling van seksuele ervaringen in de kindertijd altijd schadelijk zijn, dus altijd allemaal misbruik zijn, niet meer houdbaar, dus dat een neutrale term, seksuele ervaringen (Childhood Sexual Experience, CSE) beter is dan Child Sexual Abuse, CSA alias SMK.

De werkelijkheid is complex; de waarheid is niet geheel kenbaar. Vanwege de dark numbers weten we dus eigenlijk wel iets, maar lang niet alles. Wat we wel weten is dat contacten ongewenst kunnen zijn en dat ze later schadelijk kunnen blijken te zijn - en dat vooral geheimhouding een te zware last is. Deze gevallen zijn er, al weten we niet precies hoe veel. Ook weten we dat contacten ook gewenst kunnen zijn, dat ze positief of neutraal dan wel ambivalent beleefd kunnen worden en dat er geen schade wordt geconstateerd. Deze gevallen zijn er ook, al weten we, ook hier door de dark numbers niet precies hoe veel. Er zal een grijs gebied van vele tinten tussenin liggen en we weten ook dat we niet tevoren kunnen weten hoe het afloopt.

Ook beseffen we dat, als je hier mensen achteraf naar vraagt, met maatschappelijk klimaat in deze van invloed zal zijn. Denk maar aan ‘de omslag’ rond 1980, in college 09. Waar iedereen van overtuigd is, dat zie je terug in de antwoorden van de ondervraagden, dus in de onderzoeksgegevens, dus in de conclusies. De getallen die we nu hebben, bieden ons te weinig zekerheid.

De wetenschappelijke regel is dan: ga terug naar de nul-hypothese. Bij complexe verschijnselen met veel factoren en variabelen is deze: de normaal-verdeling. Dit is een boogje met links een 25 % laag, rechts een 25 % hoog en in het midden een 50 % rond het gemiddelde.

Deze verdeling zou hier zo uit kunnen zien: 25 % negatieve beleving, 25 % positieve beleving, met in het midden 25 % neutraal en 25 % ambivalent, met de notitie van het genoemde verschil tussen jongens en meisjes.

Dit geeft geen enkele zekerheid in individuele gevallen: als de knikker vier kanten op kan rollen, is zelfs een kansberekening nietszeggend. We kunnen het tevoren eenvoudigweg niet weten, al weten we wel dat factoren als geweld en dwang een negatieve beleving en de kans op schade vergroten, terwijl vrijwillige instemming een positieve beleving en de kans op schade verkleinen. Ook kunnen we wel bedenken dat de aard van de ervaring wel invloed moet hebben: een innige knuffel tegenover een gedwongen penetratie.

Laten we dus niet ‘alles op één hoop gooien’ en steeds per geval nauwkeurig kijken en navragen. Laten we ook voorzichtig zijn en de kans op, dus het risico van schade niet nemen.

Hiermee komen we van het gebied van de feiten in het gebied, de discours van de ethiek, ook een wetenschap tenslotte, maar met andere regels en criteria. Hierna gaan we daar op in, aan de hand van Agustín Malón, die hierover veel geschreven heeft; daarna kijken we voor de theorie-vorming naar Michael C. Seto, die zijn beroemde boek uit 2008 in 2018 herzien heeft uitgegeven.

We weten nog iets wel en dat is dat kinderen relaties, intimiteit en contact nodig hebben, ook lijfelijk contact, liefdevol contact. Deze contacten hoeven helemaal niet seksueel van aard te zijn, niet zo bedoeld en niet zo beleefd, hooguit lichtjes erotisch of gewoon aangenaam en heilzaam voor beiden - zoals Tommy zingt in de gelijknamige rock opera van The Who: “See me, feel me, touch me, heal me”.

[ < Vorige ]   [ Start ]   [ Omhoog ]   [ Volgende > ]